Een van de dingen waar ik in “ons” tijdperk van geniet is de virtualisatie. Had ik vroeger een voorraad aan oude hardware op de plank, want ‘handig en nog nodig misschien’, beperk ik me nu tot twee, misschien drie, computersystemen onder handbereik. Maar die overdaad aan hardware maakte het toen wel mogelijk om een multitude aan verschillende machines, OS-en en ‘truukjes’ naast elkaar uit te testen. Toen kwam vmware. Eén machine, met voldoende geheugen, verving in één keer alle zoemende, brommende, ja, gierende, oude beige boxen. En installeren op een virtuele machine is snel (draait op je beste hardware), gemakkelijk (cd’s branden? dat doe ik al jaren niet meer) en comfortabel (je kunt de hele reut op 1 externe disk meenemen. Heb je geen kofferbak meer voor nodig).
Inmiddels staan er op mijn gemiddelde computer ongeveer 5 verschillende systemen. Ik heb minimaal een dualboot (dus twee verschillende OS-en geinstalleerd op de computer zelf) en daarnaast rond de 4 tot 6 verschillende virtuele machines in mijn homedir of op een externe schijf.
Ik werk ook nog wel eens met verschillende configuraties op het vlak van de weergave. Mijn huidige laptop heeft een wat kleiner scherm, dus als ik thuis er wat langer achter zit sluit ik een grotere externe monitor aan. Op kantoor hang ik er standaard twee monitoren aan, zodat ik in een mooie dual monitor setup het overzicht kan houden. Maar wat nu als ik een virtuele machine gebruik? Lees verder








